Informatie over cavia verzorging, voeding, ziektes en behandeling

door dr. W.W. Stoffels

 

INLEIDING
ALGEMENE SYMPTOMEN
ADEMHALING
  Anatomie
    Probleem herkennen
    Infecties en zoönosen
  Bovenste luchtwegen
  Onderste luchtwegen
  Preventie

GEBIT
HUID
MOND
MOTORIEK
OGEN
OREN
SATIJNZIEKTE
SPIJSVERTERING
  Anatomie en fysiologie
    Probleem herkennen
  Diarree
    Infecties en zoönosen
    Behandeling diarree
  Obstipatie
    Gaskoliek (tympanie)
    Behandeling obstipatie
  Buikvliesontsteking
  Herstel en nazorg
  Preventie

STOFWISSELING
URINEWEGEN
VOORTPLANTING

INFECTIES EN ZOÖNOSEN VAN HET ADEMHALINGSSTELSEL

Hier vindt u een lijst van de meest voorkomende pathogenen van het ademhalingsstelsel bij cavia's. Het grootste probleem met luchtweginfecties is dat de meeste ziektekiemen weinig diersoort-specifiek zijn. Dit betekent dat er relatief veel zoönosen voorkomen, met andere woorden, dat er veel infectieoverdracht is tussen cavia's en de mens of andere diersoorten. De mens is veelal een natuurlijk reservoir van luchtwegpathogenen voor cavia's. Besmettingsrisico is hoog als de eigenaar zelf aan een luchtweginfectie lijdt. De ziektekiemen die overgedragen worden aan cavia's zijn voornamelijk de opportunistische bacteriën, die secundair optreden bij virale infecties van de luchtwegen bij de mens. Deze bacteriën zijn veelal relatief onschadelijk voor de mens, maar zeer pathogeen voor de cavia. De menselijke virussen worden uiteraard niet overgedragen.

Infecties van het ademhalingsstelsel treden binnen via de luchtwegen, door het inademen van stof of aerosol (microben hechten zich graag aan kleine deeltjes), en soms via de mondholte, door het opnemen van besmette lichaamsvochten. Neus- en oogvocht van geïnfecteerde dieren zijn veelal infectieus. Het likken van elkaars ogen is natuurlijk sociaal gedrag bij cavia's; op deze manier worden er veel ziektekiemen doorgegeven. Veel contacten tussen de dieren, zoals bij overbezetting van de hokken, verhogen de infectiedruk. Aantasting van de luchtwegen door etsende stoffen (ammoniak bij slechte hygiëne) verhoogt de kans op infectie.

SAMENVATTING

Klik op de naam van de ziektekiem voor meer uitleg. Legende: B - bacteriën; S - schimmels en gisten, V - virussen. Overige parasieten (longwormen) komen niet voor bij cavia's.

 
  Pathogeen Algemene eigenschappen Lokalisatie van de infectie Complicaties Komt vaak voor Zoönose
B Bordetella bronchiseptica Gram-, aeroob staafje; belangrijkste pathogeen bij cavia's Bovenste en onderste luchtwegen Hoge mortaliteit, abortus, blijvende longschade, dragerschap + -
Pasteurella multocida Gram-, facultatief anaëroob kok/staafje; menginfecties met Bordetella spp. Bovenste en onderste luchtwegen Hartproblemen, gewrichtsproblemen, hersenvliesontsteking, longabcessen + ±
Streptococcus spp. Gram+, aerotolerante kok Bovenste en onderste luchtwegen, lymfeknopen Auto-immune ziekten, middenoorontsteking, (long)abcessen, abortus, dragerschap + +
Klebsiella pneumoniae Gram-, facultatief anaëroob staafje met kapsel, resistent Onderste luchtwegen Blijvende longschade, longabcessen, borstvlies verklevingen ± +
Pseudomonas aeruginosa Gram-, aeroob staafje, resistent Longen, wonden, (bovenste luchtwegen) Blijvende longschade ± +
Mycoplasma spp. Gram-, zonder celwand Longen Chronische infecties ±  -
Staphylococcus aureus  Gram+, facultatief anaërobe kok Huid, bovenste en onderste luchtwegen Vooral in menginfecties: verslechtering ± +
Salmonella spp. Gram-, facultatief anaëroob staafje Darm, lever, lymfestelsel, lever, long Zeer hoge mortaliteit, abcessen, dragerschap ± +
Yersinia pseudotuberculosis Gram-, facultatief anaëroob staafje Darm, lever, lymfestelsel, lever, long Longabcessen, granulomen, abortus, dragerschap ± ±
anaëroben Verschillende species; verslikpneumonie Longen Longschade ± -
Actinobacillus pleuropneumoniae Nauw verwant aan Pasteurella; pathogeen van het varken Bovenste en onderste luchtwegen Longabcessen - -
Mycobacterium spp. Gram-, zuurvast; zeer zeldzaam - wettelijk bestreden Longen Granulomen (tuberculose) - +
S Candida albicans Gist; opportunistische ziekteverwekker Mondholte, darm, longen Verslechtering ± ±
Aspergillus spp. In beschimmelde voeders Longen, darm Zeer hoge mortaliteit - ±
Absidia spp. In beschimmeld hooi Darm, nieren, longen Zygomycose (veralgemeende infectie); hoge mortaliteit ± ±
Mucor spp. In groente, fruit Longen, systemisch Zygomycose (veralgemeende infectie); hoge mortaliteit ± ±
Rhizomucor spp. In groente, fruit, compoststapels Longen, systemisch Zygomycose (veralgemeende infectie); hoge mortaliteit ± ±
Rhizopus spp. In groente, fruit, brood Longen, systemisch Zygomycose (veralgemeende infectie); hoge mortaliteit ± ±
Cryptococcus spp. Gist; in grond en mest Longen, systemisch Veralgemeende infectie - ±
Blastomyces dermatitidis Dimorf (gist of schimmel); in grond Longen, systemisch Meningitis, artritis - -
Pneumocystis carinii Gist; bij wilde knaagdieren Longen - - -
V GpAV Adenovirus; DNA virus zonder envelop Longen, milt Bacteriële infecties - -
GpCMV Cytomegalovirus (Herpesviridae); DNA virus met envelop Longen, systemisch Bacteriële infecties - -
SV5
Simian virus (Paramyxoviridae); RNA virus met envelop
Longen
Bacteriële infecties
-
-
Sendai virus
Parainfluenza 1 (Paramyxoviridae); RNA virus met envelop Longen
Bacteriële infecties -
-
PVM
Pneumonia virus of mice (Paramyxoviridae); RNA virus met envelop Longen
Bacteriële infecties -
-


BACTERIËLE INFECTIES

BORDETELLA BRONCHISEPTICA is de belangrijkste, en de meest agressieve ziekteverwekker bij de cavia. Dit Gram-negatief aeroob staafje komt heel vaak voor in de dierenwereld. Het is een natuurlijke bewoner van de luchtwegen van verschillende dieren (bv konijn), maar niet van de mens. Bordetella is ziekteverwekkend ook bij andere dieren, maar de cavia is er bijzonder gevoelig voor. Andere dieren (konijnen), die enkel subklinisch besmet zijn, dienen dus als een reservoir. Het risico van overdracht van Bordetella is een van de redenen waarom men cavia's en konijnen niet samen mag huisvesten (de andere reden is trauma door de trap van een konijn). De infectie wordt overgedragen via deeltjes in de lucht, of via directe contacten met besmette dieren. De besmettelijkheid is zeer hoog. Epizoötische uitbraken in grote populaties zijn bekend, en de mortaliteit is hoog. De intredepoort zijn de bovenste luchtwegen. Alternatief kan de infectie doorgegeven worden via het likken van het oog (cavia's likken elkaars ogen, en de oogvocht bevat vaak ziektekiemen). Bordetella produceert toxines: dermonecrotische toxine (exotoxine) en daarnaast nog een lipopolysaccharide (LPS) -achtige substantie (endotoxine). De toxines kunnen de benige structuren in de neus aantasten. De infectie veroorzaakt ernstige schade aan alle structuren in de nasofarynx (inclusief conchae). Er is veel uitscheiding uit de neus; soms maar niet altijd is er bloed in de uitscheiding. Menginfecties treden vaak op: door de aantasting van het slijmvlies in de neusholte kunnen overige bacteriële species sneller grijpen en meer schade aanrichten. Bordetella veroorzaakt ook purulente (etterige) tracheïtis en bronchitis.  De bacterie kan de long zodanig aantasten dat er consolidatie van longweefsel, klaplong (pneumothorax) en/of pleuritis optreden. Pleuritis is een ontsteking van het borstvlies (pleura); door pleuritis verkleven de structuren in de borstholte aan elkaar, met verlies van longfunctie tot gevolg. Onbehandeld sterven de dieren binnen enkele dagen na aanvang van de symptomen. Bordetella veroorzaakt in de regel abortus of resorptie bij drachtige zeugen. Bordetella is in principe gevoelig voor tetracyclines (doxycycline) en fluoroquinolonen (enrofloxacine), maar resistentie kan optreden. Behandeling met folaat metabolisme inhibitoren - trimethoprim-sulfonamiden (Bactrimel, Sulfatrim) is zelden effectief. De bacterie zet het organisme aan tot productie van veel etter, en etter interfereert met de werking van deze antibiotica. Multipele drugresistentie bij Bordetella is een groot probleem: soms moet men antibiotica toedienen die niet geschikt zijn voor cavia's (lincosamiden, macroliden) met een risico van dysbacteriose, zie Spijsvertering, Infecties en Zoönosen. Bordetella dragerschap is moeilijk te elimineren; opflakkeringen worden vaak gezien bij dragers. Na een serieuze infectie kunnen de bovenste luchtwegen en de longfunctie niet volledig herstellen; dieren die de infectie overleven houden er chronische ademhalingsproblemen aan over.  Er bestaat een Bordetella bacterin (geïnactiveerde vaccin) voor varken en hond; vaccinatie van cavia's kan worden overwogen om sterfte te beperken, vooral in risico fokkerijen.

PASTEURELLA MULTOCIDA komt even vaak voor als Bordetella. Pasteurella is een Gram-negatief facultatief anaërobe kok of staafje. Het is een (opportunistische) pathogeen bij vele diersoorten; honden en katten zijn vaak subklinisch besmet en dienen als reservoir. Menginfecties met Bordetella zijn goed beschreven. Pasteurellose verloopt op een vergelijkbare manier als bordetellose: de infectie treedt binnen via de bovenste luchtwegen en zakt af naar de onderste luchtwegen. Zoals Bordetella en andere Gram-negatieven, produceert de bacterie een LPS-achtige toxine die de luchtwegen aantast, sommige maar niet alle Pasteurella stammen produceren ook exotoxines. Pasteurella veroorzaakt veel uitscheiding uit de neus en ogen. De typische infecties van de bovenste luchtwegen - in volksmond "snot" - kunnen meestal toegeschreven worden aan pasteurellose. De infectie is hardnekkig en de klachten zijn vaak chronisch. Een ander typisch kenmerk van Pasteurella is de vorming van longabcessen. Longabcessen ontstaan als een sequeel van verwaarloosde of onvolledig behandelde luchtweginfecties: de cavia is schijnbaar genezen, maar de infectie wordt ingekapseld in traag groeiende haarden in de long zelf of buiten de long in de borstholte. Invasie in de bloedbaan (septicaemie) komt ook voor. Bekende complicaties van septicaemie zijn: infectieuze gewrichts- en botontsteking (artritis en osteomyelitis), hersenvliesontsteking (meningitis) en ontsteking van de hartkleppen en -epitheel (endocarditis). Het laatste is (mede)verantwoordelijk voor hartklachten bij chronische longpatiënten. Pasteurella is gevoelig voor doxycycline en enrofloxacine, maar de behandeling is vaak niet doeltreffend vanwege het inkapselen van de infectieuze kernen. Behandeling met folaat metabolisme inhibitoren - trimethoprim-sulfonamiden (Bactrimel, Sulfatrim) is niet effectief, daar de bacterie voor veel etter productie zorgt.

STREPTOCOCCUS SPP. Binnen het geslacht Streptococcus (Gram-positieve kokken, facultatief anaëroob) zijn er veel species die ziektes bij cavia's veroorzaken. Groep A streptokoken (S. pyogenes, de "vlees-etende" bacterie) zijn de meest pathogene soorten. Streptococcus pyogenes en pneumoniae zijn typische pathogenen bij de mens. Verschillende streptokokken zijn aanwezig in de bovenste luchtwegen van mensen, en spelen een rol in de menselijke keelontsteking (als primaire agentia, of secundair aan menselijke virale infecties). Deze bacteriën worden meestal overgedragen van de (verkouden) mens naar de cavia. Streptococcus equi subsp. zooepidemicus is nauw verwant aan S. pneumoniae. Het komt veel voor in de luchtwegen van paarden. Streptococcus canis is aanwezig bij de hond, maar ook bij vele andere warmbloedige dieren inclusief mens (mens is er minder gevoelig voor, en kan als reservoir dienen om infecties bij cavia's te veroorzaken). Streptokokken veroorzaken purulente pneumonie, longabcessen en pleuritis bij cavia's (zie Bordetella).  Streptokokken zijn facultatief intracellulair: ze dringen de gastheercellen binnen en worden getransporteerd naar andere weefsels. Invasie in de bloedbaan (septicaemie) komt vaak voor en leidt tot infectieuze artritis (zie Pasteurella). De ziektekiem verspreidt zich naar de lymfeknopen, vooral in de keelstreek (lnn. cervicalis superficialis), en veroorzaakt abcessen (vooral S. zooepidemicus). Hij bereikt ook de middenoorholte en de drachtige baarmoeder. Middenoorontsteking en abortus zijn dus bekende gevolgen. Streptokokkale toxines veroorzaken onder andere subcutane bloedingen (petechiën); deze bloedingen zijn een bekende autopsiebevinding. Een opmerkelijke complicatie van de streptokokkale infectie is het ontstaan van auto-immune aandoeningen (type II of III overgevoeligheid). Op deze manier treedt er auto-immune destructie van (onder andere) eigen hartkleppen (endocarditis) en nierlichaampjes (glomerulonephritis). Hart- en nierproblemen zijn vaak voorkomende gevolgen van streptokokkale infecties. Dit verklaart waarom soms zeer jonge dieren, jonger dan 2 jaar, aan hart- of nierfalen doodgaan. Subklinische infecties zijn bij cavia's ook mogelijk, en dragerschap is moeilijk te elimineren. Streptokokken kunnen effectief bestreden worden met doxycycline. Echter, de gevolgen van de longschade en de immune reactie zijn onomkeerbaar.

KLEBSIELLA PNEUMONIAE. Klebsiella pneumoniae is een Gram-negatief facultatief anaëroob staafje met een slijmerig kapsel; het kapsel zorgt voor virulentie en resistentie van deze ziektekiem. Klebsiella is aanwezig in de luchtwegen van de mens, en kan overgedragen worden van mens op cavia. De bacterie invadeert de onderste luchtwegen en veroorzaakt (bloederige) slijmuitscheiding, congestie en blijvende longschade. Een van de bekende complicaties zijn longabcessen (zie Pasteurella). Pleuritis en verklevingen van het borstvlies kunnen ook voorkomen; de herstellende dieren houden er permanente ademhalingsproblemen aan over. Behandeling is zeer moeilijk: de bacterie is meestal ongevoelig voor fluoroquinolonen, tetracyclines en folaat metabolisme inhibitoren (trimethoprim-sulfonamiden - Bactrimel, Sulfatrim). Er blijven dus weinig alternatieven over.

PSEUDOMONAS AERUGINOSA. Pseudomonas aeruginosa is een Gram-negatief aeroob staafje, resistent tegen vele antibiotica en desinfectantia. De infectie kan overgedragen worden van mens naar cavia. Pseudomonas kan ook aanwezig zijn in drinkwater, vandaar het belang van regelmatig verversen van waterflesjes. De ziektekiem tast vooral de longen aan, meestal na aantasting van de bovenste luchtwegen door andere microben (menginfecties).  Pseudomonas produceert zeer typische, blauw-groene en slecht ruikende etter. De microbe wordt ook geassocieerd met hardnekkige wondinfecties en soms met uitwendige oorontsteking. Longinfecties met Pseudomonas aeruginosa laten blijvende letsels achter. Behandeling is moeilijk. Toediening van trimethoprim-sulfonamiden (Bactrimel, Sulfatrim) - heeft totaal geen zin. De bacterie is er niet gevoelig voor. Pseudomonas reageert ook weinig op tetracyclines. De bacterie kan bestreden worden met fluoroquinolonen (enrofloxacine), maar hoge doseringen zijn nodig (min 20 mg/kg lg per dag) en de behandeling kan soms lang duren.

MYCOPLASMA SPP. Mycoplasma pneumoniae, dispar, pulmonis en caviae zijn zeer kleine bacteriën zonder celwand. Deze ziektekiemen zijn aanwezig bij de meeste huisdieren (konijnen, runderen, ratten). M. pulmonis veroorzaakt ernstige ademhalingsproblemen bij ratten, andere species (M. caviae) zijn nagenoeg onschadelijk. Mycoplasma grijpt meestal tegelijkertijd met of secundair na andere longinfecties. Als pathogeen is Mycoplasma niet bijzonder agressief, maar zeer hardnekkig. Chronische ademhalingsproblemen (reutel) die niet verdwijnen ondanks antibioticabehandeling worden vaak toegeschreven aan Mycoplasma. Mycoplasma is gevoelig voor antibiotica die eiwit synthese remmen (tetracyclines, chlooramfenicol) en nauwelijks voor fluoroquinolonen (enrofloxacine). De behandeling kan lang duren; in sommige gevallen worden de klachten permanent.

STAPHYLOCOCCUS AUREUS. Deze Gram-positieve facultatief anaërobe kok is een van de meest verspreide micro-organismen in de omgeving. S. aureus behoort tot de normale huidflora, en is opportunistisch pathogeen. S. aureus infecteert vaak wonden. Longinfecties met S. aureus zijn secundair aan andere infecties, vooral bij verzwakte dieren. Ze kunnen de toestand aanzienlijk verslechteren.

SALMONELLA SPP. Salmonella behoort tot Enterobacteriaceae (Gram-negatief facultatief anaëroob staafje). Enterobacteria veroorzaken onder andere serieuze darminfecties. De intredepoort is het spijsverteringsstelsel of de conjunctiva van het oog. De pathogenese van salmonellose van de darm is beschreven in Spijsvertering, Infecties en Zoönosen. Salmonella is facultatief intracellulair, waardoor het verschillende organen kan invaderen. Meeste infecties verlopen hyperacuut, zodat er geen tijd is voor de ontwikkeling van longletsels. Bij niet hyperacuut verlopende infecties ontstaan er long- en leverabcessen.

YERSINIA PSEUDOTUBERCULOSIS is ook een enterobacterie, en treedt ook via de orale route binnen. Het ziektebeeld van Yersinia infectie (rodentiose) is beschreven in Spijsvertering, Infecties en Zoönosen. Rodentiose lijkt op salmonellose, maar verloopt veel minder acuut. Onvoldoende behandelde dieren ontwikkelen karakteristieke longletsels, die zeer op tuberculose letsels lijken: granulomen. Een granuloom heeft een stevig kapsel van bindweefsel en centrale necrose die op kaas lijkt (de etter is zeer vast, droog en vlokkig). De letsels zijn veelal een post mortem bevinding; soms maar niet altijd de doodsoorzaak. Verwaarloosde rodentiose leidt tot chronische ademhalingsproblemen en sterke vermagering.

ANAËROBE BACTERIËN. Bij verslikking kunnen de bacteriën uit de omgeving of uit het spijsverteringsstelsel in de longen terechtkomen. De samenstelling van deze infectieuze cocktail is toevallig: er kunnen Bacteroïdes spp., Fusobacterium spp. en vele andere microben aanwezig zijn. Anaërobe verslikpneumonie treedt voornamelijk op in terminale toestanden, en/of als men de cavia dwangvoert terwijl de slikreflex niet goed werkt. Het is ook een bekende complicatie van langdurige anaesthesie. Behandeling met metronidazol kan geprobeerd worden, maar is meestal niet meer effectief omwille van zeer slechte algemene toestand van het dier.

ACTINOBACILLUS PLEUROPNEUMONIAE komt voor in de luchtwegen van varkens, en is een varken-specifieke variant van Pasteurella. Het kan ook cavia's en andere kleine huisdieren infecteren. Risicogebieden zijn varkensbedrijven. Actinobacillus veroorzaakt longabcessen. Pathogenese, symptomen en behandeling zijn nagenoeg hetzelfde als voor Pasteurella.

MYCOBACTERIUM SPP. Mycobacterium bovis, tuberculosis en avium zijn de tuberculose bacteriën bij runderen, mensen en vogels (M. avium kent verschillende subspecies die verschillende ziektebeelden veroorzaken, onder andere paratuberculose). Tuberculose veroorzaakt sterk vergrote hals lymfeknopen, en traag groeiende granulomateuze necrose haarden in de longen. Cavia's zijn in principe gevoelig voor tuberculose, met name voor M. bovis en tuberculosis, echter, de infectie zal niet vaak plaatsvinden. Tuberculose van het rund (M. bovis) is een wettelijk bestreden en aangifteplichtige ziekte; de industriële dieren worden routinematig getuberculineerd (gecontroleerd op Mycobacterium). Infectie met de andere Mycobacterium species is ook onwaarschijnlijk. Wij vermelden Mycobacterium infecties enkel voor de volledigheid. Granulomen in de long zijn weliswaar een vaak voorkomende autopsie bevinding, maar de oorzaak is waarschijnlijk Yersinia en geen Mycobacterium.

MYCOSEN (SCHIMMEL EN GIST INFECTIES)

Onder normale omstandigheden loopt de cavia weinig risico op schimmelinfecties van de long. Echter, bij slechte hygiëne en verwaarlozing van de dieren, en in aanwezigheid van rottende voederresten in het caviahok, is de kans op besmetting aanzienlijk hoger. De cavia hoeft niet eens het beschimmelde voeder op te eten; het inademen van de schimmelsporen is voldoende om de longen te infecteren. Longmycosen treden veelal op samen met of secundair aan bacteriële infecties. Invasie van gisten en schimmels in de long treedt hoofdzakelijk op bij verzwakte dieren. Longmycosen hebben een zeer hoge mortaliteit, deels omdat men de oorzaak niet op tijd identificeert en geen juiste middelen toedient. Longproblemen behandelt men routinematig met antibiotica, en schimmels of gisten zijn er niet gevoelig voor.

Alle schimmel- en gistinfecties zijn (in principe) zoönosen. Echter, een veralgemeende infectie van de mens is uiterst onwaarschijnlijk, omdat de weerstand van de mens hoger is dan de weerstand van de cavia.

CANDIDA ALBICANS is een gist. Het is een zeer vaak voorkomende en opportunistisch pathogene schimmel. Candida wordt ook geassocieerd met mondinfecties en infecties van het maag-darmstelsel, zie Spijsvertering, Infecties en Zoönosen. Candida kan eventueel in de longen terechtkomen bij verslikking.

ASPERGILLUS SPP. Aspergillus flavus en parasiticus kunnen aanwezig zijn in beschimmelde voeders, met name in groente, fruit, granen en brood, en in mindere mate in hooi. Aspergillose is beschreven in Spijsvertering, Infecties en Zoönosen. Deze schimmel kan zich in de neusholte en in de long vermenigvuldigen. Echter, ernstige klachten ontstaan ook zonder actieve invasie van de schimmel in het lichaam. Dit komt door de destructieve werking van aflatoxine - de gifstof, geproduceerd door Aspergillus. Aflatoxine veroorzaakt ernstige spijsverteringsproblemen bij orale inname. Longnecrose treedt op ook zonder orale inname, enkel door het inademen van schimmelsporen. De intoxicatie verloopt hyperacuut en de mortaliteit is zeer hoog.

ABSIDIA SPP. A. ramosa en A. corymbifera kunnen aanwezig zijn in beschimmeld hooi. Absidia, Mucor en Rhizomucor behoren tot dezelfde klasse: Zygomycetes. Alle leden van Zygomycetes veroorzaken een veralgemeende infectie (zygomycose): acute spijsverteringsproblemen, acute longontsteking, nierfalen enz. Absidia is waarschijnlijk de meest agressieve schimmel in deze klasse. Preventieve maatregelen zijn goede hygiëne en het voeren van goede-kwaliteit hooi.

MUCOR SPP. Binnen de genus Mucor zijn er talrijke species. De schimmel is aanwezig in rottende groente en fruit. Mucor veroorzaakt een veralgemeende infectie (zygomycose), zie boven.

RHIZOMUCOR SPP. Rhizomucor pusillus, miehei en variabilis komen vaak voor in rottende groente en fruit, of in composthopen. Rhizomucor veroorzaakt zygomycose, zie boven.

RHIZOPUS SPP. Rhizopus arrhizus of microsporus zijn de typische witte schimmels met een pluizig uiterlijk en met zwarte sporangia; men ziet ze vaak op groente, fruit en oud brood. R. arrhizus en microsporus zijn de meest pathogene species. Rhizopus behoort niet tot Zygomycetes. Het veroorzaakt wel hetzelfde ziektebeeld - zygomycose.

CRYPTOCOCCUS SPP. zijn gisten; C. neoformans is de meest pathogene van Cryptococcus spp. Het bevindt zich onder andere in de grond en in duivenmest (is niet pathogeen voor duiven). Het is geen agressieve schimmel, maar het draag bij aan overige infecties. Bij immuno-incompetente dieren veroorzaakt Cryptococcus veralgemeende infecties: longontsteking, blaasontsteking en zelfs hersenvliesontsteking na invasie in de bloedbaan. Infecties bij immunocompetente dieren zijn onwaarschijnlijk.

BLASTOMYCES DERMATITIDIS is een dimorf species: het kan een schimmel- of een gistvorm aannemen. De schimmelvorm is aanwezig in de grond, de gistvorm is pathogeen. Blastomyces veroorzaakt blastomycose: longontsteking met complicaties (aantasting van het centrale zenuwstelsel, botten en gewrichten). Deze schimmel komt echter weinig voor in onze streek.

PNEUMOCYSTIS CARINII is een gist. Zijn natuurlijke habitat is niet goed bekend; mogelijk is dit micro-organisme aanwezig bij wilde knaagdieren (ratten). Pneumocystis carinii veroorzaakt longontsteking bij verzwakte dieren. Het is geen zoönose; de menselijke variant Pneumocystis jiroveci is niet besmettelijk voor dieren.

Behandeling van alle longmycosen bestaat uit itraconazol (Itrafungol), 5 mg/kg lichaamsgewicht per dag. Griseofulvine (25-50 mg/kg lg) kan eventueel gebruikt worden, maar zijn effectiviteit bij veralgemeende mycosen is laag. Amphotericine B (nooit meer dan 2 mg/kg lg) kan worden gegeven bij zeer agressieve schimmelinfecties, maar het middel zelf is ook agressief (risico van nierschade). Terbinafine is een effectief en veilig alternatief bij uitgebreide mycosen. Terbinafine voor menselijk gebruik wordt oraal gegeven, de dosering is 12.5 mg/kg lichaamsgewicht (1/20 van de humane pil), 1 keer per dag. Voor meer informatie over het gebruik van humane middelen in diergeneeskunde, zie het Cascadesysteem.

Het probleem met longmycosen is dat ze meestal niet herkend worden in de routinematige behandeling van luchtwegproblemen. Het acute verloop van sommige schimmelinfecties (bv zygomycose) verlaagt de kans op succes.

VIRALE INFECTIES

Virale infecties zijn uiterst zeldzaam bij cavia's. Het specifieke niet-adaptieve immuunsysteem van cavia's biedt een effectieve bescherming tegen virale ziekten. Dit komt door de aanwezigheid van gespecialiseerde witte bloedcellen (Kurloff cellen, behorend tot het natural killer soort), die lichaamscellen besmet met virus opsporen en vernietigen.

Enkele cavia-specifieke virussen van de luchtwegen zijn beschreven in de literatuur. De virussen werden eerst geconstateerd bij laboratorium dieren, maar waarschijnlijk zijn ze ook aanwezig bij cavia's die als huisdier gehouden worden. Het gaat voornamelijk over latente aanwezigheid - echte (klinische) infecties treden enkel op bij immuno-incompetente dieren. Zelfs bij verzwakte cavia's is het virus zelden de hoofdverantwoordelijke van de ziekte - het virus kan enkel de luchtwegen gevoelig maken voor secundaire bacteriële en schimmel infecties. Dit verschilt van humane pathologie, waar virussen juist de agressiefste pathogenen zijn.

Cavia adenovirus (GpAV). Dit is een cavia-specifiek adenovirus. Adenoviridae zijn DNA virussen zonder envelop (omhulsel); ze zijn dus bestendig en overleven lang in de omgeving. Specifieke adenovirussen veroorzaken luchtweginfecties (longontsteking) bij de mens en bij vele diersoorten. Bijvoorbeeld, CAV-2 - de honden adenovirus - is (mede)verantwoordelijk voor kennelhoest. Cavia adenovirus is een primaire ziekteverwekker; het virus tast de luchtwegen aan en maakt de weg vrij voor bacteriële infecties. Volgens sommige bronnen kan de infectie met adenovirus hyperacuut verlopen met ernstige ademhalingsklachten en dood binnen enkele dagen. Het virus kan latent aanwezig zijn in de cavia populatie. De kans op doorbraak is echter niet groot.

Cavia cytomegalovirus (GpCMV). Cytomegalovirus behoort tot de familie Herpesviridae (DNA virus met envelop). Herpesvirussen zijn bekende pathogenen van (onder andere) luchtwegen bij vele diersoorten. Een voorbeeld is IBR - infectieuze boviene rhinotracheïtis (ademhalingsziekte bij runderen). Herpesvirus overleeft niet lang buiten de gastheer, maar kan latent aanwezig bij gezonde dieren. Klinische infecties zijn zeldzaam. Zoals bij de meeste virale infecties van cavia's, is het virus zelf relatief weinig pathogeen. De problemen worden veroorzaakt door secundaire bacteriële infecties.

Simian virus 5 (SV5). Dit virus behoort tot Paramyxoviridae (RNA virus met envelop). Het virus veroorzaakt milde (meestal subklinische) infecties bij cavia's. Het is geen belangrijke pathogeen.

Parainfluenza 1 (Sendai virus). Dit virus behoort tot Paramyxoviridae (RNA virus met envelop), het wordt overgedragen tussen diersoorten (muis, rat, hamster, konijn). Acute infecties zijn zeldzaam bij cavia's.

Pneumonia virus of mice (PVM). Dit virus behoort ook tot Paramyxoviridae (RNA virus met envelop). Het veroorzaakt zelden klinische infecties, maar het kan andere (bacteriële) infecties verergeren. Het is geen belangrijke pathogeen bij cavia's.

Mogelijk bestaan er nog andere, agressievere species, maar op dit moment is er onvoldoende kennis op dit gebied. Wij hebben enkele casussen van hyperacute longontsteking onderzocht. Ze lijken van virale oorsprong te zijn, maar het virus is nog lang niet geïdentificeerd.

Behandeling. Er bestaat geen specifieke behandeling van virale infecties. De behandeling is gericht op het bestrijden van de secundaire bacteriële infecties (antibioticabehandeling).

REFERENTIES

Goodnow RA, 1980, Biology of Bordetella bronchiseptica, Microbiological Reviews 44: 722-738.

Haesebrouck F, 2010, Bacteriële en mycotische ziekten, cursus 1ste Master Diergeneeskunde, Universiteit Gent.

Kunstyr I (editor), 1992, Diagnostic Microbiology for Laboratory Animals, Gustav Fischer Verlag.

Matherne CM, Steffen EK, Wagner JE, 1987, Efficacy of commercial vaccines for protecting guinea pigs against Bordetella bronchiseptica pneumonia. Lab. Anim. Sci. 37(2): 191-194

Richardson VCG, 2000, Diseases of Domestic Guinea Pigs, 2nd edition, Library of Veterinary Practice, Blackwell Publishing.

Shankar BP, 2008, Adenovirus Infection in Guinea Pig - A Case Study, Veterinary World 1: 280.

The Merck Veterinary Manual.

Uchida K, Yamaguchi H, 1994, Effectiveness of oral treatment with terbinafine in a guinea pig model of tinea pedis, Jnp. J. Antibiotics 47:1401-6.

www.doctorfungus.org

Copyright ©  dr. Winfred Stoffels, Marumoto - Maru-vet